| ma | di | wo | do | vr | za | zo |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | ||
| 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 |
| 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 |
| 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 |
| 27 | 28 | 29 | 30 | 31 |
'Luisterend naar muziek van Schumann'
![]()
Mijn voeten drukken hun profiel in de groen blauwe stof van de bank tegenover mij. Ik leg mijn hand op het tafeltje naast me, landschappen razen voorbij.
Een puberig en puisterig meisje van een paar stoelrijen verderop houdt zich bezig met het verkondigen van uitgebreide uitgaansverslagen aan haar waarschijnlijk even puisterige vriendinnetje aan de andere kant van de mobiele telefoonverbinding. Haar kaken malen onophoudelijk op roze kauwgom, terwijl haar roze beugelelastiekjes vanaf hier ook nog zichtbaar zijn. Ook haar sweater is lichtroze, wat van haar dus een totale roze pratende irritante vlek maakt in de gehele wagon.
Ik besluit maar te gaan lezen.
Wat dichterbij zijn een oudere moeder en een studerende dochter nogal luidruchtig plaats gaan nemen in een vier-zit. Moeder gooit meteen alle plastic tassen kleding en sporttas met waarschijnlijk hockeyspullen van studenten-kakker-dochter op de twee plaatsen tegenover hen, en praat met een duidelijk overdreven accent met haar dochter over de NS. Studenten-kakker-dochter knikt wat flauwtjes, plukt aan haar kraagje en gaapt richting een blijkbaar best interessante jongeman.
Ik probeer me te concentreren op het lezen van mijn boek, maar al het geschuifel en gepraat in de trein weet me dusdanig af te leiden dat mijn boek nu doelloos op mijn schoot ligt.
In plaats van lezen probeer ik me nu maar helemaal te storten op de irritaties van en door mensen.
De moeder van kraagjes-dochter klaagt iets te hard over de roze vlek, die een paar stoelen verderop weer beledigd daar verslag van brengt aan haar onzichtbare vriendin aan de telefoon. Daarop zucht de hockey-dochter hardop richting de jongeman, hopend op een verstandshouding, die haar met iets teveel tandvlees en gel charmant toelacht.
Zodra de conducteur veel te vrolijk de wagon binnenstapt, begin ik al zuchtend mijn ov-bewijs uit mijn rechterbroekzak te pulken.
Per ongeluk glijdt mijn blik verder door het gangpad, tot schuin tegenover de vier-zit naast me. Daar zit een man. Een man met zijn haar over zijn kale schedel gekamd, een man met een snor. Een man met een ruitjesoverhemd, een man met bruine instappers. Zo'n man.
De man knipoogt naar me. Ik vraag me af waarom mannen de per ongelukke blikken die je ze schenkt, meteen lijken te zien als een uitnodiging. Hoe groot kan het ego van deze man zijn, als hij de moed heeft om na een verdwaald reflex meteen te denken dat hij ook maar enige kans maakt? Met welke intentie knipoogt hij? Heeft hij überhaupt het besef van zijn leeftijd, en erger: zijn uiterlijk? Ik probeer hem zo opvallend mogelijk te negeren in de hoop dat hij de hint snapt, en laat mijn ov aan de conducteur zien.
Deze grijnst naar me alsof het controleren van vervoersbewijzen zijn levenswerk is, iets wat hij elke dag met nieuwe energie kan vervullen. Zijn rol in deze maatschappij. Met vereende krachten pers ik een dunne glimlach op mijn lippen. De conducteur is hier schijnbaar uiterst mee in zijn nopjes, want met nieuwe hyperactiviteit stort hij zich op de tactloos knipogende man van net.
Zodra de conducteur weer uit het gezichtsveld van de knipogende man waggelt, schenk ik hem een dodelijke blik. De man lijkt inmiddels mijn poging tot doodslag met kijken door te hebben, en kijkt met een rood gezicht erg geïnteresseerd naar de eerste beste koe die buiten staat. Het beest heeft wel wat weg van hem.
Ik heb het observeren van irritante en geïrriteerde mensen al opgegeven, en begin met een van mijn favoriete bezigheden tijdens het reizen met het openbaar vervoer. Elk nieuw station waar nieuwe reizigers instappen, probeer ik te gokken wie op welke plaats gaat zitten. Het enge is: meestal heb ik het goed. Ik geef de schuld maar aan een kwestie van geluk en toeval, en hoop niet dat het berust op mensenkennis. Het station waar we aankomen, ziet er vervallen grauw en plastic uit. Oude verdwaalde herfstbladeren waaien nog in de hoeken van het beton, als er een groepje van 20 mensen rond de ingang van de wagon dringt.
Helaas gok ik dit keer ook goed dat de grijsharige ingezakte man met regenjas naast mij plaats zou gaan nemen. Zijn stoppels zijn 2 dagen oud, en meneer had blijkbaar moeten rennen voor de trein. Meteen minacht ik hem: ik ren niet voor treinen. Ze rijden altijd nog een keer, komen weer terug, en de rest is een kwestie van tijd. Tijd doet me niet zoveel, maar het is nu een prachtig moment om me meer bezig te gaan houden met het glas dat mijn horlogewijzers bedekt. Terwijl ik het uitgeslagen metaal van mijn horloge uitermate geïnteresseerd aan het bekijken ben, hoor ik de man naast me nog steeds uithijgen. Hij stinkt naar een mengeling van mufheid, oud chloor en een vage zweetlucht. Werkelijk: het is dat ik niet weet hoe mottenballen ruiken, anders had hij daar vast ook naar geroken.
Walgend wend ik mijn gezicht weer af, terug naar de letters van het boek. Mijn laatste redding.
Op datzelfde moment hoor ik een kraak door de wagon heengaan. Een metalige krakende stem volgt, die ons, na uitgebreid zijn keel te hebben geschraapt, mededeelt dat er een stoptrein voor onze intercity zit, waardoor onze trein enkele minuten vertraging zal oplopen. Een zucht verspreidt zich door de hele trein heen.
Dat vindt de moeder van de hockey-dochter een uitstekend moment om weer los te barsten in een tirade over de NS, terwijl de jongeman en haar dochter stiekem naar elkaar grijnzen. Op de een of andere manier vraag ik me af of de moeder nog steeds zo boos zou zijn op de NS, als deze twee elkaar nu vandaag zouden vinden, over vijf jaar trouwen, en elkaar nooit meer laten gaan. Een nutteloze gedachte. Toch leidt het me even af van de geur die zich nu in mijn neus heeft genesteld, en er niet meer uit lijkt te willen. Ik vraag me af hoe onbeleefd het zou zijn om demonstratief te verhuizen naar een paar rijen verderop.
De meneer naast me is begonnen met een luidruchtig gehoest, alsof er ook twee dagen oude stoppels in zijn keel zijn ontstaan. Goddank houdt hij wel zijn hand voor zijn mond, voordat hij begint aan de volgende hoestbui. Zo lijkt het nog alsof hij enigszins rekening houdt met anderen.
De jongeman heeft de hockey-dochter inmiddels aangesproken, waarop zij giechelend aan haar blonde haar plukt, en blozend terugpraat. De moeder lijkt niks door te hebben, en moppert nog wat verder over de vertrektijden van de treinen van tegenwoordig.
Dan vermindert de trein vaart. Langzaamaan keert de krakende stem terug, die nu verteld dat we aangekomen zijn op het station waar ik zo dadelijk uit moet gaan stappen. De meesten, waaronder de knipogende man, het roze meisje en de quasi charmante jongeman, maken zich op dat moment meteen klaar om te vluchten door de kunststof deuren, en daar alsnog vijf minuten te wachten voordat de trein tot stilstand is gekomen. Meestal sta ik pas op van mijn plek als de trein al een tijdje is aangekomen, waarna ik rustig mijn spullen pak en ga. Dit keer vlucht ik echter ook, weg van de stinkende meneer. Ik haast me om niet naast de knipogende man te hoeven staan, en houd mezelf die vijf minuten lang bezig met het bestuderen van het veel te erg glimmende haar van de charmante jongeman. Dan schuiven de deuren open, worstel ik me langs nieuwe passagiers die zich naast de stinkende meneer zullen zetten, zich zullen ergeren aan de moeder en de verslagen en eenzame hockey-dochter, die het nu zal moeten redden zonder de jongeman. De jongeman die zijn weg alweer gevonden heeft langs meisjes in zomerrokjes, en zijn tandvlees aan iedereen zoveel mogelijk probeert te tonen.
Ik kan eindelijk naar huis.

opnieuw doen?
tip: voor onleesbaarheid de link van de afbeelding kopieeren en in nieuw venster zetten. ofzo.
Your slim frame
Your eager eyes and your wild mane
Oh they keep me where I belong
All wrapped up in wrong
You're to blame
For wasted words of sad refrain
Oh let them take me where they may
Believe me when I say
I will be your accident if you will be my ambulance
And I will be your screech and crash if you will be my crutch and cast
And I will be your one more time if you will be my one last chance
oh fall for me
Your slim frame
Your simple stare and your wrong, wrong name
Oh they keep me where I belong
All strung out in song
Why so tame
We could shoot wilder vines
Through younger veins
Sip slow from night's deep wells
And watch our gardens swell
Once the seeds are sown
Wild and overgrown, you'll see
Heart's colors changed like leaves
Oh sweet sweet tree
Fall for me
Fall fast, fall free, fall for me
Because I will be your ambulance if you will be my accident
And I will be your screech and crash if you will be my crutch and cast
And I will be your one more time if you will be my one last chance
Oh sweet tree, fall with me
Fall fast, fall free, fall with me
maar dat ik hier niet over mag oordelen op grond van mijn eigen ervaringen, omdat ik het zelf deed. en misschien nog steeds doe, soms.
Ik heb vast geen idee.

ah well.
Ter korte introductie: Nadine, 17
Wel erg kort
Ah, mijn weblognaam is een gestolen titel van een liedje van Jeff Buckley. Ik stalk iedereen met zijn muziek. Voor de rest hou ik van uitslapen, dus dat kan er ook mee te maken hebben.
Daag
